Voor 1895

1e eeuw tot 11e eeuw

De prille voorgeschiedenis begint ongeveer 10.000 jaar voor onze tijdrekening toen de Noordzee ontstond door de opwarming van de polen en de stijging van het waterpeil. Daardoor werd de delta van de grote stromen gevormd. Zo’n 500 jaar voor Christus werd de nieuwe kustvlakte verschillende malen door de zee overspoeld. Op die manier ontstonden kreken en vaargeulen waarlangs schepen het binnenland konden bereiken. Op de rand van dit krekengebied ontstond ook een vestiging waar mensen zich met zoutwinning bezighielden. Een archeologische vondst uit de late 19e eeuw bewijst ook de Romeinse aanwezigheid. Bij het graven van het nieuwe zeekanaal ontdekte men er restanten van een Romeinse boot van omstreeks 200 na Christus. De naam van deze vestiging verwijst ook naar de verbondenheid met het water.

Boot van Brugge

Aanvankelijk was het ‘Rogia’ (dat is de oorspronkelijke naam van de vaargeul Reie) maar later, onder invloed van het Oudnoors werd het ‘Bryggia’ wat landingsbrug betekent. Naast de Reie was er in de omgeving nog een andere kreek, de ‘Sincfal’ maar het is niet duidelijk of die ook Brugge met de zee verbond. Het was pas toen de Noormannen in de 9e eeuw de streek binnenvielen en leegplunderden dat de graaf van Vlaanderen op deze plaats een versterkte burcht bouwde waarrond een woonkern groeide. Toen de invallen en de verwoestingen van de Vikings ophielden begonnen de Bruggelingen, dankzij de goede verbindingen met de zee, handel te drijven met Engeland en Scandinavië. De zee trok zich gedeeltelijk terug en zo ontstonden er zoute schorren waarop men schapen kweekte. Men stak de natuur ook een handje toe door met dijkenbouw de kustvlakte in te polderen. 

 

Krekengebied

De schapen zorgden voor wol, de grondstof voor de lakennijverheid. De productie van laken ontwikkelde zich in de 9e en 10e eeuw ook in Ieper en Gent en al vlug volstond de eigen schapenteelt niet meer en was men verplicht wol uit Engeland in te voeren terwijl het afgewerkte product, het laken werd uitgevoerd. Zo werd Brugge een handelscentrum. In 1134 werd het land ten noorden en ten noordoosten van Brugge echter opnieuw overspoeld met als positief gevolg dat Brugge een nog betere verbinding met de zee kreeg: de ‘Sincfal’ werd dieper uitgeschuurd en kreeg een nieuwe naam: het Zwin. Men kon nu via het Zwin tot in Damme met grote schepen veilig varen en vanaf Damme, de voorhaven van Brugge, kon men via een natuurlijke verbinding gemakkelijk de stad bevoorraden. Een netwerk van kanalen, de reien genaamd, maakte het mogelijk de koopwaar tot in het centrum van de stad te brengen.

12e - 14 eeuw: de bloeiperiode van Brugge

De bevolking van Brugge nam ondertussen steeds toe, er ontstonden nieuwe parochies en er werden grote kerken gebouwd: Sint-Salvators, Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Donaas. In Brugge zijn de kooplieden, ook patriciërs genoemd, de voornaamste burgers. In de 12e eeuw nemen deze patriciërs, onder toezicht van de graaf, de leiding en de organisatie van de stad op zich.  Iets later beginnen ook de ambachtslui zich te verenigen in gilden. Na de moord op graaf Karel de Goede in 1127 vrezen de welgestelde burgers onlusten en plunderingen en daarom krijgen ze privileges van de nieuwe graaf Diederik van den Elzas. Ze bouwen een versterking rond de stad en wat belangrijker is; de stad krijgt het recht zichzelf te besturen. Dit bestuur wordt gevormd door een raad van schepenen die door de graaf werden gekozen. Deze schepenen zijn allen kooplieden en elk van hen krijgt administratieve en rechterlijke macht. De ambachtslui zijn helemaal niet vertegenwoordigd in dit bestuur en dat leidt dan ook tot wrijvingen, vooral dan bij de stadsbevolking die gebukt gaat onder een zware belastingsdruk.

Brugge - Damme
met met snor voor kraan

Deze spanningen escaleren en komen in 1280 tot uitbarsting: het Belfort met het archief en de schatkamer van de stad branden af. Graaf Gwijde van Dampierre komt tussenbeide en kiest partij tegen de schepenen om hun macht te beperken.  Aan de andere kant wil de koning van Frankrijk zijn macht over het graafschap versterken en steunt daarom de schepenen. De stad wordt door de Fransen bezet. Zij geven Brugge een nieuwe, grotere omwalling met 8 stadspoorten waarvan er nu trouwens nog enkele bewaard zijn. Brugge was dus verdeeld in 2 kampen: enerzijds de ‘Lelieaards’, volgelingen van de Franse koning en anderzijds de ‘Klauwaards’, volgelingen van de graaf van Vlaanderen.

Het antagonisme bereikt zijn toppunt met de ‘Slag der Gulden Sporen’ in 1302 op de Groeningekouter (nabij Kortrijk) waar het Franse leger door de ‘Klauwaards’ wordt verslagen. Het gevolg was dat de ambachtslui nu ook schepenen konden aanwijzen. Dat leidt tot een herstel van de rust en een bloeiende handel. Brugge wordt in de 14e eeuw nog meer een draaischijf voor de handelswaar uit het zuiden (Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk) en de landen bij de Noordzee en de Oostzee. Naast het traditionele laken verkochten de Vlamingen vooral tapijten, paarden, runderen, zuivelproducten en haring. De invoer bestond voornamelijk uit wol, tin, lood, steenkool, bier en graan uit Engeland; huiden en leder uit Ierland; wijn, olie en zout uit Frankrijk, specerijen uit Genua; hop, was, pek en hout uit Duitsland; vis uit Noorwegen en huiden uit Rusland. Meer en meer buitenlandse handelaars komen zich in de stad vestigen en bouwen er hun natiehuizen waar hun afgevaardigden zetelen. 

Om hun belangen te verdedigen, verenigen de handelaars zich in ‘Hanzen’. Voor de machtige ‘Duitse Hanze’ was Brugge een zeer belangrijk handelsknooppunt en ze vestigden er dan ook een invloedrijk hoofdkantoor, namelijk het Oosterlingenhuis. De bloei van Brugge wordt ook geïllustreerd door de macht van de ‘Vlaamse Hanze van London’.

Brugge wordt met name door de komst van de Italianen ook een belangrijk financieel centrum.  Die Italianen zijn naast handelaars ook bankiers die geld wisselen, lenen tegen intrest en betalingen uitvoeren. In Brugge concentreren die financiële activiteiten zich vooral op het pleintje voor de herberg van de familie Van der Beurse. Vandaar komt ook de naam ‘beurs’ die later de wereld zal veroveren als naam voor de plaats waar geld wordt verhandeld. De Italiaanse familie De Medici introduceert in Brugge ook de wisselbrief.

 

15e - 19 eeuw: Brugges ondergang

De Brugse handelaars trekken zich geleidelijk terug uit de actieve handel en vervullen meer en meer de rol van makelaar of tussenpersoon. Daardoor gaan ze wel meer afhangen van de buitenlandse handelaars. De Bruggelingen verliezen geleidelijk aan hun greep op de handel als kernactiviteit.

Nog andere factoren spelen een rol in de economische teloorgang van Brugge:

Het Zwin, de levensader voor de maritieme bereikbaarheid van de stad, begint te verzanden. Sluis wordt de nieuwe voorhaven van Brugge. In Engeland wordt een eigen lakennijverheid ontwikkeld, de uitvoer van wol uit Vlaanderen krijgt het daardoor erg moeilijk. De schepen die Brugge bevoorraden moeten vaak leeg terugvaren en komen daarom liever niet meer aanleggen. Ook het protectionistische verbod om Engels laken in te voeren, doen de handelaars uitzien naar andere oorden. Andere havens, zoals Antwerpen, Hamburg en Bremen komen tot ontwikkeling en nemen geleidelijk aan de handelsfunctie van Brugge over. Men kan stellen dat Brugge na 1450 zijn economische macht voor een groot deel is kwijtgespeeld.

 

In de 15e eeuw, onder de Bourgondische Hertogen, Filips en Karel de Stoute en Maria van Bourgondië, kent de stad wel nog een nieuw hoogtepunt,  maar dan eerder als cultuurstad. Dan denken we uiteraard vooral aan de Vlaamse Primitieven Hans Memling en Jan Van Eyck.

Onder de Habsburgers en de Spanjaarden (Keizer Karel) en door de godsdienstoorlogen sluimert de stad geleidelijk aan in. Maximiliaan van Oostenrijk wilde de macht van Brugge beknotten en voerde zware belastingen in. De politieke troebelen die daarop volgden, leidden tot zijn gevangenzetting in Brugge in 1488. Uit wraak ontnam hij de Brugse handelaars na zijn bevrijding nog meer privileges. Tijdens de Tachtigjarige oorlog wordt Brugge een frontstad en in 1604 wordt Sluis zelfs ingenomen door de Noordelijke Nederlanden (door de troepen van Maurits van Nassau): Brugge was meteen zijn voorhaven en zijn verbinding met de zee kwijt.

Dat werd bovendien nog eens bevestigd door de Vrede van Westfalen (1648) die het einde van de godsdienstoorlogen en het vastleggen van de grenzen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden betekende. Ook Antwerpen had geen uitweg meer naar de zee. Voor Holland daarentegen werd het een ‘Gouden Eeuw’.

Hallentoren lang geleden
handelskom van minderthout

In de 17e eeuw probeert men in Vlaanderen nog de handel te doen heropleven door de aanleg van het Kanaal Oostende-Brugge-Gent met Brugge als handelskom. Gedurende deze periode is Brugge al lang geen wereldhaven meer, het speelt slechts een bescheiden rol op regionaal vlak.

Onder Napoleon werd gestart met de aanleg van een kanaal tussen Brugge en Breskens (vandaag bekend als de Damse Vaart), maar dat project werd door de Belgische revolutie nooit afgewerkt. Globaal gezien is de periode van de 16e tot de 20e eeuw voor Brugge een periode van armoede geweest. Men had eenvoudigweg geen geld om oude gebouwen door nieuwe te vervangen en zo bleef heel wat van het historisch kader van de middeleeuwen bewaard. Maar dat zou pas in de tweede helft van de 20e eeuw de toeristische kassa doen rinkelen.

 

19e eeuw: de kentering

Georges Rodenbach beschreef Brugge in de tweede helft van de 19eeeuw als een arme, doodgebloede stad (‘Bruges la morte’). Het was de publicatie ‘D’une communication directe de Bruges à la mer’ in 1877 geschreven door waterbouwkundig ingenieur, Auguste de Maere, die voor de kentering zorgde.  De Maere was schepen van Openbare Werken van de stad Gent en had met zijn brochure vooral de bedoeling zijn eigen stad opnieuw met de zee te verbinden, maar zijn project kende in Gent weinig bijval.

In Brugge echter schaarde iedereen zich achter het idee. Ook Koning Leopold II was een sterke voorstander van een nieuwe zeehaven op de kust. België moest inspelen op de eerste maritieme revolutie waarbij de zeilschepen geleidelijk aan vervangen werden door de stalen stoomschepen die veel groter waren. In 1891 installeerde de Belgische regering de ‘Commission Mixte de Bruges Port de Mer’ die een wedstrijd uitschreef voor het bouwen van een zeehaven in Brugge met een uitweg naar de zee langs Heist.

Baron Auguste de Maere